Verenigingen & Stichtingen
 

Vrienden van de Molen

Beschrijving     Geschiedenis     Restauratie     Stichting     Taal 

Het voorspel.

In 1973 bij bespreking van de gemeente Hemelumer Oldeferd met de provincie Friesland en monumentenzorg kwam toen de direkteur gemeentewerken G. Veenstra met bet idee om de voormalige korenmo­len aan de Molenbuurt te herbouwen. Dit sloeg aan en ook het college van burge­meester en wethouders voelden ervoor. Er kwam in 1977 zicht op een molen uit Sneek. De gemeente Sneek wilde hier aanvankelijk niets van weten, maar kon in plaats daarvan een molen uit toenmalige gemeente Idaarderadeel krijgen. De plaat­sing zou geheel via monumentenzorg gaan, maar de gemeente moest zorgen voor de beschikking van het terrein en de fundamenten. Veel later, pas in 1986 kocht de gemeenre Nijefurd de perceel grond van Sj. de Vries te Koudum. De stichting “De Fryske Mole” kwam in1980 via de provinciale molenconsulent de heer T. Lubbers in beeld en starte de operatie van de verwerving van de molen uit Oppenhuizen, plaatsing op de monu­mentenlijst en het aantrekken van fondsen. Ook is toen besloten tot enkele aanpassin­gen aan het wiekenkruis, waarover later meer. Na realisatie zou de gemeente de molen aanvaarden en de niet gesubsidieer­de kosten betalen. Monumentenzorg bleek echter niet mee te willen werken aan de verplaatsing van de molen. De Stichting 'De Fryske Mole” maakte hier echter bezwaar tegen en monumentenzorg kwam op de weigering terug. De operatie kon z’n beslag krijgen.

De bouw van de onderbouw.

De korenmolen "De Vlijt” was oorspronkelijk een poldermolen welke gelegen was naast de boerderij van de fam J. Nauta te Oppenhuizen. Hier bemaalde de molen een oppervlakte van ruwweg 130 Ha. Gelegen aan de Houkesloot. Tot circa 1947 bemaalde de molen de polder waarbij Nauta als molenaar fungeerde. Eind jaren zeventig werd de inmiddels in verval geraakte molen verplaatst naar Tjerkwerd om hier gerestaureerd te worden met de uiteindelijke bedoeling om de molen naar Koudum te verplaatsen. Bij de demontage van de molen te Oppenhuizen viel tijdens de werkzaamheden volledig onverwacht het wiekenkruis naar beneden, zonder ongelukken overigens. Op het terrein van bouwbedrijf van Zuiden te Tjerkwerd werd de molen gerestaureerd, waarbij de ondertoren volledig werd vernieuwd en het bovenhuis voor het grootste deel. Met het oog op de verplaatsing naar Koudum werd meteen de ondertoren wat hoger en wat wijder. Deze vergroting kwam bij toeval aan het licht door toen de tekeningen van de vernieuwde molen vergeleken werden met de opmetingstekeningen van de oude poldermolen van Anton Sipma. auteur van o.a. het standaardwerk Molenbouw. Deze verandering wordt door deskundigen discutabel gevonden. Omdat de molen hierdoor wijder geworden is dan de oorspronkelijke molen "De Vlijt” zoals deze vroeger was. Ook zijn de verhoudingen van onder- en boventoren en het vrijlopen van de boeken er minder van geworden. Pas in 1984 kwam het groene licht voor de herbouw.

Oorspronkelijk lag het in de bedoeling dat de onderbouw zou worden gemaakt als leerlingenproject door de Koudumer technische school. Her hout werd beschikbaar gesteld door de provincie. Demerara Groenhart en Basralocus, gezaagd uit afgekeurde dukdalven door de houtzaagmolen “De Rat” te IJlst. Het beoogde leerlingenproject werd een fiasco. Het zware hout was niet hanteerbaar voor de jongens en bovendien scheurde het hout in de verwarmde ruimten aan alle kanren uit elkaar. Uiteindelijk werd besloten dat er nieuw hout moest komen. Dit werd inlands oregon en eiken uit Groenlo. Een enorme berg hout werd afgeleverd in een werkplaats in Menaldum, waar medewerkers van de monumentenwacht en Johan Cnossen uit Koudum in de winterperiode van 1985-1986 de vierkante onderbouw maakten. Deze bouw verliep voorspoedig, zodat half maart 1986 met de fundering gestart kon worden. De onderdelen werden naar de Molenbuurt aangevoerd en tot onderbouw gebouwd.

Het plaatsen van de bovenbouw.

Op 13 mei 1986 werd de molen die al lange tijd in Tjerkwerd stond met een oplegger naar Koudum vervoerd. De molen kon nier onder het viaduct in de Aldyk van Workum door, maar moest er met een kraan overheen getild worden. In de zomer werd de molen verder door Johan Cnossen afgetimmerd. Het maken van de kozijnen en deuren, het beschieten van de onderbouw, het maken van de stelling, het leggen van de pannen, het plaatsen van de staartconstruktie en tussen de bedrijven door, als het regende, het timmeren van de zolders en het plaatsen van trappen. Inmiddels was het winter geworden en lag het werk tijdelijk stil. De roeden waren besteld inclusief en gietijzeren bovenas. Johan Cnossen betreurde het hierbij dat er geen Friese zeeg in het gevlucht aangebracht werd.

Hierna kwam er een einde aan een lange periode van voorbereiding en realisatie van de molen, omdat het geld op was.