Verenigingen & Stichtingen
 

150 jaar geleden

In het jaar 1854 zaait een longziekte dood en verderf onder het Friese vee. In Koudum en omliggende dorpen moet de Koudumer rijksveearts J.W.B. Egberts vele dieren afmaken. Ook mensen kampen met ziekten. Vooral kinderen lijden aan (kinder)pokken en het gemeentebestuur wordt door de Commissie voor Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzicht in Friesland verzocht om beide ‘geneeskunstenaars’ te Koudum aan te manen ‘alle vlijt aan te wenden bij de kinderpokinenting’ ter voorkoming van verspreiding van de ziekte.

Armoe is troef, evenzo (de strafbare) bedelarij en landloperij. De armvoogden hebben het druk in die tijd. Zij verlenen ‘onderstand’ (bijstand/ondersteuning) aan de ‘bedeelingbehoevenden’. De raad van de gemeente Hemelumer Oldephaert en Noordwolde ontvangt in dit jaar een brief van de vier gemeentelijke veldwachters (Groenhof, Quarré, Bremer en Zeldenrust) waarin zij vragen om verhoging van hun ‘tractement’. Zij kunnen van hun wekelijkse verdiensten van ƒ 4,00 niet in het onderhoud van hun gezin voorzien.

Op 29 augustus 1854 schrijft de Officier van Justitie te Sneek aan het gemeentebestuur van H.O.N. dat ‘het misdrijf van bedelarij niet overal voldoende wordt beteugeld’. Landelijk bestaat de verplichting om een ieder die wordt veroordeeld wegens bedelarij, over te brengen naar een bedelaarsgesticht. De Officier brengt onder de aandacht dat die wet is veranderd en dat in de toekomst slechts bij herhaling veroordeelden na rechterlijk vonnis in een bedelaarsgesticht zullen worden ondergebracht.

Een ambtenaar van het Kantongerecht te Hindeloopen (!) stuurt in juni 1854 het halve roggebrood, dat in beslag werd genomen in de winkel van de Koudumer broodverkoper R.D. Jaarsma, aan de burgemeester. Het brood had ‘ongenoegzame zwaarte’. (Het is onbekend of de burgemeester het brood zelf heeft opgepeuzeld of dat hij het misschien aan ‘bedeelingbehoevenden’ gegeven heeft).

 

De gemeente maakt in die tijd niet een gemeentebegroting, maar dorpsbegrotingen. De dorpsbegroting van Hemelum voor 1855 wordt door de Provincie aan de kaak gesteld en moet worden aangepast. Er waren uitgaven in opgenomen voor ‘het verstrekken van brood aan behoeftigen tegen verminderde prijzen’. Volgens de Provincie vallen dergelijke kosten niet onder de Armenwet en moeten deze verstrekkingen worden gedaan door liefdadigheidsinstellingen.

 

De hoofdingenieur van Waterstaat schrijft in het voorjaar van 1854 aan de burgemeester dat de heer Hielke Heijes te Molkwerum voor de periode van een jaar ‘tot aannemer voor de onderhoudswerkzaamheden aan de Koudumer Slaperdijk is verklaard’. Er zaten sluizen in deze slaperdijk, die gesloten konden worden ingeval van nood of bij doorbraak van de zeedijk tussen Mirnser Klif en Workumer Nieuwland.

 

Het was niet allemaal kommer en kwel in 1854. De winters waren, naar het schijnt, strenger dan tegenwoordig. Er werd veel geschaatst en er waren vele hardrijderijen. De prijzen bestonden uit spek en ander etenswaar, maar ook uit bijvoorbeeld een zilveren tabaksdoos.

Het ijs werd ook gebruikt voor vervoer van goederen.