Verenigingen & Stichtingen
 

150 jaar geleden 2

Het is niet precies 150 jaar geleden gebeurd. Wel is het een stukje geschiedenis van Koudum en omgeving in de negentiende eeuw!

Friesland was in het verleden een soort delta. In de Zuidwesthoek waren vele meren en poelen en de Zuiderzee had er min of meer vrij spel. Vanwege diverse overstromingen in de achttiende eeuw had men de zeedijken beveiligd met palen en keien. Deze palen kregen te lijden van de paalworm, waardoor ze tijdens een zware storm in 1732 massaal afbraken als luciferhoutjes.

Met het oog op de komende herfststormen werd in allerijl en met behulp van drie bataljons soldaten de Slaperdijk aangelegd. Het karwei was in drie maanden geklaard. Bij de Galamadammen werd een sluis gebouwd. Het kanaal daar, werd verbreed en voor de overtocht werd een pontveer in gebruik genomen. De sluis is in 1836 verwijd en in dit jaar werd ook de eerste draaibrug geplaatst.

Op de Slaperdijk stond de herberg, annex boerderij, waar het volgens de Gids voor reizenden ‘Friesland en de Friezen’ van 1877 zeer goed toeven was. Het was een zogenaamde ‘vermakelijke’ herberg, doordat de waard allerlei activiteiten organiseerde. ‘s Zomers werd de herberg graag bezocht door vissers en passanten en in de winter gingen vele schaatsers er even van de ijzers.

De herberg kreeg echter in de loop van de tijd geduchte concurrentie van het logement te Kippenburg.

 

Het Flait was voor de drooglegging in 1854 een moerassig meertje, dat toebehoorde aan jonkheer van Swinderen te Rijs. Hij ging er soms met zijn gasten jagen en vissen.

Volgens overlevering gebeurde er bij één van die gelegenheden het volgende.

Eén van de gasten verloor in het Flait een gouden zegelring. Bij de drooglegging werd de ring gevonden door een zekere Wiersma, ‘een rasechte Zuidwesthoekster boer’. Jonkheer van Swinderen hoorde van de vondst en verzocht de boer de ring terug te geven. Deze was hier niet zondermeer toe bereid; hij wilde een ‘bewijs van eigendom’. Men wees hem op het adellijk wapen op de ring, maar de boer vond dat niet voldoende en gaf de ring niet terug. Met een trucje kwam deze dan toch bij de eigenaar terecht en deze bood de boer een goede beloning aan. Zeer stroef en met gloeiende ogen zei de trotse boer: “wat mienst wol…….!” en weigerde de beloning.

Het Haanmeer werd in 1858 drooggelegd; het Staverse Noordermeer al twee eeuwen eerder.

 

Op 30 januari 1877 gebeurde op de Fluessen een vreselijke ramp met de stoomboot Willem III. Onderweg van Sneek naar Stavoren kwam de boot in zwaar weer terecht en liep vast op het Feitezand onder Oudega.

De boot kreeg water binnen, kantelde en zonk. De drieënveertig personen die aan boord waren probeerden zich vast te klemmen aan de uitstekende delen van de boot. Na bijna zeventien uur halfweg in het water gelegen te hebben, kwam er redding. Helaas waren er toen al veertien personen, waaronder de Koudumers P.A. Okkinga en S.F. Wiersma, verdronken en vele anderen waren er, zoals men zich kan voorstellen, zeer slecht aan toe.

Als dank voor alle hulp die de waard van de herberg bij de Galamadammen bij de redding had geboden, ontving hij een zilveren beker met een dankwoord en inscripties met de namen van de geredden.